expositie

01/06–01/07

Winnaars verhalenwedstrijd Ansicht

Hoe leven we in de toekomst? Wonen we naast robots? Of zijn we als mens gedoemd uit te sterven? Voor de verhalenwedstrijd van podcast Ansicht vroeg RAUM jou om een verhaal te schrijven over de 'stad van de toekomst'. De winnaar ontving een boekenbon van 100 euro!

Hoe de stad van de toekomst eruitziet, bedacht jij zelf. Maar liefst dertig schrijvers stuurden een verhaal over de (fictieve) wereld in het jaar 2050! Na het lezen van alle toekomstberichten, zijn er uiteindelijk twee – in plaats van één – winnaars uitgekozen. Lees hieronder de twee verhalen:

Naam: Liesbeth Gerritsen
Leeftijd: 27 jaar
Stad: Utrecht

DE WALKMAN

Ik ben er nog. 

Jarenlang heb ik me schuil gehouden in een grote container op een bedrijventerrein. Als de container werd leeggegooid zorgden wat stukken Bubblicious bubblegum er wel voor dat ik er niet uit viel. Ik bleef stevig vastgeplakt aan de zijkant van de container. Wat een geluk dat die kauwgom niet zo snel vergaat, al zijn de roze kleur en de intens zoete geur al lang verdwenen. Het nadeel van mijn verblijfplaats is dat er niet zoveel gebeurt en dat maakt dat de tijd nogal traag verstrijkt. Eerder was ik nog wel nieuwsgierig naar wat er werd weggegooid en oefende ik in het zo behendig mogelijk opvangen van de rommel, zodat ik niet beschadigd zou raken. Maar de mensen gooien steeds meer van hetzelfde weg en ook steeds grotere dingen, zoals muziekinstallaties, auto’s en zelfs hele Tiny Houses, waardoor ik nu zoveel deuken en krassen heb dat mijn klepje niet meer open gaat. Verveling is inmiddels mijn ontbijt, mijn lunch én mijn avondeten. De enige lichtpuntjes in mijn bestaan zijn de maandelijkse uitstapjes naar de vuilnisbelt. Daar wordt de container met een hels gekraak gekanteld en op zijn kop boven de afvalberg gehangen. We hangen er nooit lang; slechts een paar seconden, hooguit tien. Maar die seconden zijn waar ik voor leef. Zodra het afval uit de container op de berg ligt en ik daar op z’n kop hang, is het alsof de tijd even stil staat. Wind ruist langs het staal en zwiept af en toe een stuk plastic omhoog de lucht in. De lucht ruikt naar oude dromen en nieuwe mogelijkheden. 

Vandaag is het weer zo ver. 

Ik werd wakker van het wiegende gevoel van een vrachtwagen die over de snelweg rijdt. Waarschijnlijk zijn we al een flink eind op weg, want door een kier van de container zie ik daglicht naar binnen schijnen. De spanning die ik nu voel, doet me denken aan de tijd dat er nog muziek uit mij kwam. Zenuwen verspreiden zich als geluidsgolven door mijn lichaam. Ik voel hoe we vaart minderen, enkele bochten omgaan, even stilstaan, een stuk achteruit rijden. We stoppen. We zijn er. Dan gaan de deuren van de vrachtwagen open. Ik knipper met mijn ogen om te wennen aan het felle licht. Een man schreeuwt iets onverstaanbaars en de container begint te kantelen. Ik houd me stevig vast aan Bubblicious. Zo meteen komt het moment: die mooie, bijzondere, stille seconden. De container draait verder en verder, totdat we bijna het hoogste punt bereiken. Dan hoor ik een zachte ‘plok’ en in de momenten die volgen gebeurt er iets wat ik nauwelijks kan navertellen. Ik zie de afvalberg met elke seconde sneller op me af komen. Het duurt even voordat ik het door heb: Bubblicious heeft me losgelaten. Ik vlieg nu in volle vaart op de berg af, en dan… Plof. 

Ik ben er nog. 

Waar ik weet dat men in mijn tijd grote vuren had waardoor al het afval werd opgeslokt en verging tot zwarte smurrie en as, bestaat die methode al lang niet meer. Hier in het afval-gewest zijn het eeuwig levende pseudokraaien die de macht hebben. Al het afval verdwijnt ongenadig in hun rottende snavels, waar ze het verteren tot nieuwe eeuwig levende pseudokraaitjes. Ondanks dat ze zich snel vermeerderen, is de hoeveelheid afval in verhouding zo groot dat het me tot nu toe lukt om uit hun buurt te blijven. Mijn val is inmiddels een paar weken geleden. Een beetje geschramd en beurs ben ik, maar dat is alles. De dagen na ‘de val’, zoals ik de gebeurtenis noem, was een periode van verwondering en verbazing. Ik gaf mijn ogen de kost aan alles wat er op deze vuilnisbelt leefde. Jerrycans gevuld met oplichtende vloeistoffen, afgedankte, ouderwetse huishoudrobots, plastic speelgoedkeukens die meegroeien met de leeftijd, gechipte maden die resistent zijn tegen de nieuwste coronavirussen. Ik deed mijn best om zoveel mogelijk van de vuilnisbelt te zien, want alles wat ik zag betekende een potentiële verbreding van mijn wereldbeeld. En ik zag meer dan ik ooit had kunnen dromen. Die dagen lachte ik, rende ik, danste ik in de puinhoop van de mens. Elke vuilniszak scheurde ik open, geen kartonnen doos liet ik liggen zonder er onder te kijken. 

Maar hoe langer ik hier ben, hoe vaker een treurig gevoel zich aan me opdringt. Het grijpt me bij de keel, benauwt me. Ik hoorde laatst twee vuilnismensen zeggen dat het afval-gewest zich nu heeft uitgestrekt tot aan de grens met Duitsland. Het was te verwachten dat het oosten van het land er als eerste aan zou gaan. Omdat ik niet wilde dat het waar is, ben ik gaan lopen, urenlang één richting uit. Na een dag en een nacht lopen kwam ik het einde nog niet tegen. Het maakt dat ik wanhopig terug verlang naar de container, naar Bubblicious, mijn oude thuis. 

De toekomst voelt onzeker en uitzichtloos. De mensen zullen niet stoppen met hun wegwerpfetisj. Er zal aldoor méér worden weggegooid. Maar er zal een tijd komen dat het afval-gewest zoveel ruimte inneemt, dat niet alle mensen meer een plek hebben om te leven. Hoe minder plek, hoe minder mensen en hoe minder mensen, hoe minder nieuw afval. Terwijl de pseudokraaien zich onophoudelijk voort zullen planten. Alhoewel ik behendig ben en snel, zal ook ik niet eeuwig uit de bek van een van hen kunnen blijven. Hoe lang dit zal voortduren, weet ik niet. De enige zekerheid die ik heb: ik ben er nog. 

 

Naam: Ruben voor de Poorte
Leeftijd: 29 jaar
Stad: Utrecht

‘Deze hele week slaap ik al slecht. Ik word ‘s nachts badend in het zweet wakker. Vannacht was dat niet heel veel anders, maar dat had ik ook niet verwacht. Vandaag is het namelijk exact eenentwintig jaar geleden dat ik in deze planeet ben geboren. Maar voordat ik jullie meer vertel, zal ik mezelf eerst even netjes voorstellen. Ik ben Jimi, geboren in de lente ergens onder Utrecht.

Vandaag dus de eenentwintig aangetikt, maar tot op heden nog nooit daglicht gezien. Ik woon in stadskuil-zuid. In Utrecht zijn talloze kuilen te vinden, maar niemand weet precies hoeveel dat er zijn. In onze kuil wonen zo’n tweeduizend inwoners, wat te vergelijken valt met een klein dorp. Ik kan dagen nadenken over hoeveel kuilen er over de hele wereld te vinden zijn en wat de namen van die andere kuilen dan wel niet zijn. Dit is wel genoeg introductie, ik moet me nu snel gaan klaarmaken voor mijn eerste expeditie. Ik kan echt niet wachten om erachter te komen hoe daglicht er nu eigenlijk precies uitziet en vooral ook hoe dat voelt. Van verhalen weet ik in ieder geval dat ik waarschijnlijk de eerste paar minuten weinig tot niets ga zien.

Vijfentwintig jaar geleden stond onze planeet op de rand van de ondergang. Wetenschappers hebben met man en macht geprobeerd de wereld te redden, maar zaten na tijden nog steeds met de handen in het haar. Lang verhaal kort, er moest een oplossing komen voor het allergrootste probleem sinds de mensheid. Het idee was om andere planeten te gaan bewonen, maar er was niet genoeg tijd meer om een geschikte planeet te vinden. Wat wel voor het eerst in de wereldgeschiedenis gebeurde is dat wereldleiders het unaniem met elkaar eens waren; er was nog maar een mogelijke oplossing. De wereld moest een soft-reset krijgen. De natuur moet een periode ongeremd haar gang kunnen gaan. Hoe lang die periode precies zou zijn wist niemand, maar dat het zo lang zou duren wist al helemaal geen mens. Men heeft natuurlijk geprobeerd om zelf weer aan de oppervlakte in het geheim een nieuwe gemeenschap te starten, maar dat werd door de overheden de kop ingedrukt. Trouwens, vóór je eenentwintigste is het sowieso verboden om boven de grond te komen. Maar vanaf vandaag mag ik dus, eindelijk.

Lang verblijf boven de grond is niet toegestaan, de tijd dat we boven de grond mogen zijn is op dit moment van twee tot vier uur ‘s middags en die twee uur willen we dan ook optimaal benutten. Eenmaal boven de grond hebben we maar een taak, nemen wat de natuur ons kan geven zodat we onder de grond weer verder kunnen leven, maar niet zonder daar iets voor terug te geven. De groei van de natuur moet ongeremd haar gang kunnen gaan, dus we moeten haar daar zeker niet in de weg gaan staan. Vandaag trekken we er met zijn vieren op uit. Iedereen heeft zijn of haar eigen taak. Ik zorg voor het herplanten van planten die we een paar expedities geleden van boven de grond mee naar beneden hebben genomen. Mijn tas zit vol zaden, stekjes, een emmer en een schepje om de boel mee in te kunnen graven. Twee anderen zijn verantwoordelijk voor de bevoorrading van de gemeenschap en de kas die we hier beneden hebben. In de kas groeien we allerlei groenten en fruit zelf, maar er gaat niks boven een tomaat die echt zonlicht heeft gezien. De laatste expeditie-genoot en meteen ook degene met de meeste ervaring is de uitkijk. De natuur haar vrije gang laten gaan ging namelijk niet zonder bijkomend gevaar. Wolven, wilde zwijnen en zelfs beren zijn weer in Utrecht te vinden en schijnen veel minder bang te zijn voor mensen dan voorheen. Ik denk ook dat ik daarom wat minder goed heb kunnen slapen deze week.

Liftdeuren
Onze kuil zit zo’n twintig meter onder de grond. We staan in het donker te wachten op de lift. Ik hoor een zachte “ting” en de deuren van de lift gaan voor m’n ogen open. Mijn handen worden wat klam en ik zou zweren dat mijn hart nog nooit zo hard heeft geklopt. We stappen naar binnen en de deur sluit achter ons. Voor mijn gevoel duurt het een eeuwigheid voor we boven zijn, maar in realiteit duurt de rit nog geen halve minuut. Daar is de zachte “ting” weer en de deuren naar de bovenwereld schuiven langzaam open. De eerste zonnestraal komt door de kier van de liftdeuren en ik heb alle twee mijn handen nodig om de felheid tegen te gaan. Mijn nieuwsgierigheid zorgt ervoor dat ik door een spleetje van mijn vingers probeer te kijken, maar dat had ik beter niet kunnen doen, nu zie ik al helemaal niks meer. Mijn ogen beginnen langzaam te wennen aan het felle licht.

Groen. Dat is wat ik zie. Groen. Ik heb oude foto’s van de Neude gezien, een mooi plein in Utrecht dat bezaaid stond met tafels en stoelen, waar je in de zomer een hapje en een drankje kon krijgen, nu sta ik op dezelfde plek en zie ik overal gras, struiken en andere planten. De gebouwen die rondom het plein staan zijn allemaal een beetje vervallen en uit een huis op de hoek groeit zelfs een boom. We vervolgen ons de weg langs een heel groot gebouw, wat er nog minder vervallen uitziet dan de rest, volgens onze uitkijk is dat een hele oude bibliotheek, die voor die tijd nog gebruikt zou zijn als postkantoor. We moeten nu iets voorzichtiger zijn, aan het eind van dit pad komen we namelijk bij water uit. De rivier die door de stad stroomt is een trekpleister voor alle wilde dieren in de omgeving. Terwijl reeën, vossen en andere kleine dieren zichzelf daar wassen of de dorst lessen zijn de gevaarlijkere dieren daar juist verzameld om hun prooi uit te zoeken. We zijn nu dus even extra op onze hoede.

Het is een mooie rustige dag, we komen bij de rivier maar weinig wild tegen. En de dieren die we tegenkomen schieten direct weer een dichtbegroeid stuk bos in. Er wordt gevraagd of ik mijn emmer wil vullen omdat we bijna zijn aangekomen bij het stukje land dat we gebruiken voor ‘onze’ gewassen boven de grond. Het gewicht van de volle emmer en de brandende zon zorgt ervoor dat ik aardig begin te zweten, misschien nog wel meer dan alle nachten hiervoor toen ik badend in het zweet wakker werd. In de verte zie ik een stuk land dat er zichtbaar anders uitziet dan de rest van de omgeving. Er is veel meer structuur in de gewassen, het ziet er veel kleurrijker uit en er is vooral minder begroeiing. Dat moet onze tuin wel zijn. De uitkijk gaat voorop, de kust lijkt veilig.

Ik kniel in het gras en zet mijn tas naast me neer. Ik haal de kleine potjes met de mini plantjes uit mijn tas en begin te graven. De aarde voelt heerlijk door mijn handen, ik geef de vers geplante plantjes wat water en zorg dat de rest van de tuin ook weer verder kan groeien. We hebben nog maar een half uur boven de grond te gaan en gaan wat verder de stad in om de boel te ontdekken. Onderweg zien we meer plekken die eruit zien alsof ze zijn geplant door andere mensen, maar daar blijven we netjes uit de buurt. De natuur lijkt het hier wel echt te hebben gewonnen, dus ik vraag me erg af waarom we nog steeds onder de grond moeten leven. Het leven boven de grond voelt tot nu toe zwaar, maar het staat me zeker aan. Gelukkig mag ik bij goede resultaten vaker mee met de expeditie en stiekem droom ik er al van om ooit als uitkijk mee te gaan. Maar voor nu gaan we terug naar onze kuil. De koude, kille grond weer in. Hopen dat mijn plantjes boven de grond als een speer gaan groeien, zodat we volgende keer weer meer groente en fruit mee onder de grond kunnen nemen. En hopen dat de natuur nog sneller herstelt zodat iedereen elke dag kan genieten van aarde onder de voeten en echt zonlicht op de huid.

Donderdag komt het tweede winnende verhaal online!

facebook insta twitter youtube itunes spotify zaag oog search