event

06/07–31/07

Verhalenwedstrijd – Middelbare scholieren

Hoe leven we in de toekomst? Wonen we naast robots? Of zijn we als mens gedoemd uit te sterven? Middelbare scholieren in Utrecht werden uitgedaagd de fictieve 'stad van de toekomst' te beschrijven. We kregen tientallen inzendingen binnen. Yvonne Krijgsman van het Amadeus Lyceum schreef een kortverhaal, genaamd 'Alles gaat voorbij', en won hiermee de verhalenwedstrijd. Lees hieronder haar verhaal.

 

Foto: Martijn Sierhuis

Yvonne Krijgsman
17 jaar
Amadeus Lyceum
Utrecht

Alles gaat voorbij

Corona was slechts het begin. Ik wil niets afdoen aan de zwaarte van die crisis. Het was verschrikkelijk. Wat daarna kwam, was echter zo groot dat zelfs Corona erdoor overschaduwd werd.

Het was april 2037, toen er voor het eerst iemand positief getest werd op het “Drowned Virus”. In augustus was dertig procent van de wereldbevolking dood. Tegen die tijd hadden paniek en angst iedere vorm van redelijkheid uit de mensheid verdreven. Niemand had dit zien aankomen. Niemand kon zich weren. Natuurlijk waren meteen duizenden onderzoekers, wetenschappers en doctoren aan de slag gegaan om zo veel mogelijk te weten te komen over dit virus en bovenal een manier te vinden het te bestrijden. Ze waren echter niet snel genoeg. Ze hadden nooit snel genoeg kunnen zijn, want de lichamen stapelden zich zoals verdorde bladeren onder een stervende boom. Zo kwamen ze er te laat achter dat de ziekte zich door het water verspreidde. Vandaar de naam “Drowned Virus”, in Nederland bekend als de Verdronken Ziekte. Quarantaine had daarom in het begin geen enkele zin. De besmette mensen kampten met nare bijwerkingen zoals hoofdpijn en constante misselijkheid, maar het aller afgrijselijkste aan de ziekte was de onvermijdelijke dood. Onvermijdelijk. Op een gegeven moment konden mensen simpelweg niet meer begraven of gecremeerd worden, omdat er zo velen tegelijk stierven. Daarom ging men over op het verbranden van meerdere lijken in één keer.

In november was het eindelijk zo ver: een oplossing kwam aan de oppervlakte. Nou ja, eigenlijk was het meer een noodoplossing, maar gezien de omstandigheden bestond er geen betere weg. Er was ook geen tijd om een beter pad te vinden, dus bewandelde de mensheid deze. Charlotte Leclair, een Franse wetenschapper die medicijnen en bio-genetica had gestudeerd aan de universiteit in Hongkong, bleek onze redding te zijn. Zij had namelijk besloten de immuniteit die blijkbaar heerste onder het dierenrijk, verder te onderzoeken. Zo kwam ze erachter dat die onschendbaarheid verborgen zat in het DNA van de dieren, wat haar de aanmoediging gaf het DNA van dieren met dat van mensen samen te voegen. Dit klinkt absoluut absurd, dat weet ik. Maar het werkte. Het werkte echt. Zo snel mogelijk werd haar onderzoek verspreid over de wereld. Heel vlug ging dit echter niet. Voor een mens kan namelijk niet zomaar ieder dier gebruikt worden. Nee, het dier, of het nu een kat is of een slang, moet eenzelfde soort DNA-structuur hebben als het desbetreffende mens. Daarom zijn mensen versmolten geraakt met een reeks aan verschillende dieren. Ik zeg “versmolten met” om de term “veranderd in” te vermijden. Al is dat wel gebeurd. Ongeveer. In elk geval kan er gezegd worden dat iedereen die de behandeling onderging, een deel van zijn menselijkheid heeft ingeruild om gered te kunnen worden. Alle overlevenden zijn nu deels dier. Zowel van binnen als van buiten.

De kinderen werden als eerst behandeld. Daardoor kent onze samenleving tegenwoordig zo veel wezen. Zelf ben ik er ook één. Ik was zeven, toen de Verdronken ziekte de wereld in zijn greep kreeg. Ik was zeven toen, ik mijn ouders verloor. Inmiddels is dat alweer dertien jaar geleden. Hoewel de economie kapotgeslagen is door de hoge sterftecijfers en steden langzaam afbrokkelen door het gebrek aan onderhoud, vind ik het leven zo erg nog niet. Natuurlijk rouw ik met de hele mensheid mee om de verliezen die er geleden zijn. Om iedereen die gestorven is. Toch koester ik geen haat jegens de wereld. De voornaamste reden hiervoor is Meya. Ik heb haar ontmoet gedurende mijn tijd in het weeshuis en al een jaar na ons eerste gesprek hadden we besloten de rest van ons leven samen door te brengen. In een wereld waar 75% van alle huizen leeg staat, voelt een mens zich namelijk snel alleen. Daarom is het fijn om iemand te hebben. Zeker iemand zo geweldig als Meya. Meya is trouwens een springmuishybride. Dit is bijzonder specifiek, dat weet ik. Zij had namelijk een zeldzame afwijking in haar DNA. De doctoren hadden het bijna opgegeven een dier met dezelfde afwijking te vinden. Het enige wat aan haar te zien is van haar versmelting, is de lange staart van een springmuis. Zelf heeft ze er een hekel aan, maar ik heb twee afgrijselijk hoorns op mijn hoofd, want ik ben een steenbokhybride. Het kan dus altijd erger. Bovendien zijn er mensen die een volledige vacht hebben. Als je er zo naar kijkt, zijn we er allebei goed van afgekomen.

Wij zijn dus prooidieren. In principe is daar niets mis mee. Het dier dat jouw leven gered heeft, is in mijn ogen altijd een goed dier. Toch is er een hiërarchie ontstaan die voor een fragiele balans onder de mensheid gezorgd heeft. Bovenaan staan de roofdierhybriden, zoals ze ook in de dierenwereld bovenaan de voedselketen stonden. Deze verhoudingen komen zowel terug in ons politieke systeem, het hele Nederlandse parlement bestaat uit roofdieren en de minister-president is dus ook niets anders dan dat, als op straat. Hun gevoel van superioriteit uit zich in alles dat varieert tussen een minachtende blik en openbare agressie. Dat haat ik wel aan onze nieuwe wereld. Misschien is deze hiërarchie ontstaan, doordat een dierlijkinstinct een deel van onze menselijkheid vervangen heeft. Dan zouden de onderdrukkers niets aan hun walgelijke gedrag kunnen doen. Dat zit gewoon in hun DNA. Eerlijk gezegd merk ik wel dat sommigen onder ons zich dierlijker zijn gaan gedragen. Hiermee bedoel ik niet dat we niet meer weten hoe we mes en vork moeten hanteren en dat onze beschaafde gebruiken gestorven zijn, maar dat je het kan zien aan hoe mensen bewegen en hoe ze met elkaar omgaan. Misschien is het echter ons menselijke deel dat deze standensamenleving gecreëerd heeft. Het is tenslotte niet alsof voor de pandemie iedereen gelijk was. Onderdrukking van de zwakkeren is altijd al onderdeel van onze samenleving geweest.

Meya is een felle tegenstander van deze ongelijkheid. Zij heeft zich dan ook bij een soort verzetsbeweging aangesloten die bekend staat als de PVG: Partij voor de Gelijkheid. Hun leus is: “Geen prooidieren, geen roofdieren, maar mensen!”. Het is de enige partij met “prooidieren” die ooit een kans gemaakt heeft in de verkiezingen. Ik heb wel eens een vergadering bijgewoond, maar ik houd me ver buiten dat politieke gedoe. In mijn leven is zo veel veranderd. Voorlopig wil ik dat alles zo veel mogelijk hetzelfde blijft. Bovendien heb ik geen problemen met onze huidige regering. Nederland is absoluut niet perfect, maar ze houden ons wel in leven.

Vandaag is een normale dag. In elk geval voor een post-pandemiedag. Ik kom net terug van één van de tien elektrische oplaadpunten van Utrecht. Door de grote verliezen waren er noch genoeg centen noch genoeg manschappen om het hele land van elektriciteit te voorzien. Er zijn een aantal plekken waar wel laptops, telefoons, lampen en dergelijke opgeladen kunnen worden en de meeste mensen hebben zich daar omheen gevestigd. Meya en ik hebben er bewust voor gekozen iets verder weg een huis uit te zoeken. Dat klopt, uitzoeken. Iedereen kon namelijk gewoon een woonplaats kiezen, want er waren toch zo veel leegstaande gebouwen. In ons huis zit haard zodat we onze elektrische kookstellen minder vaak naar het oplaadpunt hoeven te slepen.

Ik ga de hoek om. Over twee straten ben ik thuis. Dat mooie vooruitzicht wordt door het toilet gespoeld, wanneer ik een groepje jongens in de straat zie staan. Niet zomaar jongens, roofdierhybriden. Dat gegeven is op zichzelf al bedreigend en daar komt nog bij dat ik het soort groep herken. Het woord “crimineel” staat nog net niet in grote letters op hun gescheurde spijkerjasjes geschreven. Tegenwoorden krioelen de straten van dit soort bendes. Een betrouwbare veiligheid creëren is het enige waar onze regering tot nu toe in gefaald heeft. Ik zet al een stap achteruit om een andere wege naar huis te zoeken, wanneer ze mij in het oog krijgen. Hun hoofden draaien synchroon om naar mij. Langzaam. Precies zo als roofdieren. Twee van hen maken zich los van de groep en komen mijn kant op. Twee hyenahybriden. Ik wil wegrennen, maar ik weet dat ik nooit snel genoeg zal zijn met deze zware tas op mijn rug. Op dat moment voel ik een hand op schouder. Mijn hart staat stil. Vreemd genoeg bewegen ook de mannen voor mij niet meer.

‘Daar ben je’, zegt de jongen die achter me is komen staan. ‘Ik dacht dat ik je kwijt was.’ Met grote ogen kijk ik naar hem, maar hij heeft zijn blik strak op de twee boosdoeners voor zich gericht. Deze leggen hun oren in hun nek. Vervolgens lopen ze langzaam achteruit. Boos lijken ze wel te zijn, maar hun angst is groter dan die woede. Dat snap ik ook wel. De jonge naast me is een wolfhybride en niet zomaar één. Zijn tanden zijn scherper dan menselijk is. Hij heeft de oren van een wolf. En de staart. En de klauwen. Het is lang geleden dat ik iemand heb gezien wiens uiterlijk in deze mate is aangetast. Na een flauwe glimlach van hem naar de bende, begeleidt hij me weg van het gevaar.

‘Dank je’, zeg ik aarzelend over zijn intenties. De lach die hij mij schenkt is wel oprecht.

‘Geen probleem. Alle vrienden van Meya zijn ook vrienden van mij.’

‘Je kent Meya?’, vraag ik, terwijl de spieren in mijn lichaam eindelijk ontspannen.

‘Dat klopt. Ik hoor ook bij de PVG.’ Een roofdier bij de PVG? Ik besluit te zwijgen. ‘Wij hebben elkaar eigenlijk eerder ontmoet. Bij een bijeenkomst. Ariadne, is het toch?’ Ik knik.

‘En wie was jij ook al weer?’ Het komt er lomp uit, al bedoel ik dat niet zo. Zijn vrolijkheid hapert echter niet.

‘Damian. Eén van de weinige roofdierhybriden van de PVG.’ Een lange stilte volgt. Er zijn wel vragen die
ik hem wil stellen, maar ik krijg geen woord over mijn lippen. Dan zegt hij: ‘Ik vind het trouwens erg
dapper van Meya at ze zich als eerste prooihybride kandidaat stelt voor presidentschap.’
Ik stop met lopen. Ik stop met ademen. ‘Ze doet wat?’
Het besef raakt me hard. Te hard. Waarom moet alles altijd veranderen?

 

facebook insta twitter youtube itunes spotify zaag oog search