De Burenparade

Vanuit het niets verrijst een tweede stadshart in Utrecht. Van kale vlakte tot kartonnen maquette en van spookstad in aanbouw tot een bruisend centrum.

Door RAUM werd ik, Pavèl van Houten, uitgenodigd om een project te beginnen in relatie tot de buurt. In september, oktober en november realiseerde ik voor alle nieuwe buren en andere nieuwsgierigen De Burenparade: een meet and greet met Leidsche Rijn Centrum. Een interactieve buurtwandeling waar nieuwe plekken, ontmoetingen en verhalen worden gedeeld; dromen, wensen en verlangens in kaart gebracht.

In totaal zijn er acht wandelingen gegeven, met zowel bewoners van de wijk als nieuwsgierigen die de wijk graag beter wilden leren kennen. Dit project was onderdeel van 20 jaar Leidsche Rijn.

In dit verslag lopen we langs de zes stops die in de wandelingen aangedaan werden. Per stop deed de groep een uitspraak over Leidsche Rijn. Meestal werden deze keuzes direct zichtbaar gemaakt op de rode duwkar die tijdens de wandeling de groep vergezelde.

‘We wensen in een groene oase te wonen’
De Burenparade begon op het buitenterrein van RAUM. Ik stelde het project voor via een korte inleiding die gekoppeld was aan een eerste opdracht: de groep mocht uit verschillende vlaggen er één uitkiezen die tijdens de wandeling door Leidsche Rijn op de duwkar gehangen zou worden. De titel op de vlag vertegenwoordigde de mening van de specifieke groep wandelaars en stond voor het idee dat de groep had over de toekomst van de wijk.

Er werden door de verschillende groepen verschillende thema’s gekozen, maar één was er veruit de favoriet: ‘Leidse Rijn moet een groene oase zijn’. Meer dan de helft van de groepen koos dit thema.

Natuur is een veel bediscussieerd thema in Leidsche Rijn. Het valt op dat rondom het station wel gras en een paar bomen te zien zijn, maar deze hebben een onzeker toekomstperspectief: wat zijn de plannen voor het groen in Leidsche Rijn? Bewoners als ook mensen vanuit buiten de wijk pleiten om de natuur juist een plek te geven in het hart van de wijk (en in het hart van de samenleving). Veel bewoners zijn juist vanwege de ruimte en het vele groen naar Leidsche Rijn gekomen, en zien dit nu langzaam verdwijnen. Dat is voor hen een schrikbeeld: dat één van de kwaliteiten van deze plek (het Maximapark wordt bijvoorbeeld erg gewaardeerd) uit hun handen zou glippen.

Door andere groepen werd ook twee keer voor de vlag met het thema ‘innovatief’ gekozen, vanuit het idee dat dit er al is, maar dat het ook iets is wat in de toekomst belangrijk moet blijven. De ‘culturele smeltkroes’ als cruciaal kenmerk van de buurt werd verkozen door een andere groep en de ‘bruisende stad’ werd geselecteerd als duidelijke wens om ook mensen van buitenaf te halen en van Leidsche Rein een grootstedelijke plek te maken.

‘Groen met een grootstedelijk statement’
De tweede stop van de parade vond plaats op het dak van het Pathé bioscoop. Centraal gelegen, in het midden van het grotendeels nog braakliggende centrumgebied konden de deelnemers hier alles vanuit een vogelperspectief zien en hun fantasie laten spelen. Iedere deelnemer kreeg een transparante sheet die op de ramen geplakt kon worden. Vervolgens tekende ieder deelnemer voor zich een ‘visie’ voor de omgeving: parken, bomen, verzonnen landmarks; alles mocht.

De richting die eerder door de titel op de vlag was gekozen werkte ook bij deze opdracht per groepje door. Had een groep ‘innovatie’ gekozen veranderden de tekeningen het landschap door futuristische gebouwen die aan de Eiffeltoren deden denken. Ook een groot openluchtzwembad werd bedacht en ruimte voor natuur in combinatie met leerplekken voor kinderen en recreatiemogelijkheden.

Natuur bleek ook bij deze opdracht heel belangrijk. Alle groepen legden hier nadruk op: recreatie, bomen, boerderijen, sportmogelijkheden, ruimte om te wandelen, fietsen, voetbal; integratie van water in het landschap kwam op bijna alle tekeningen terug.

De deelnemers zagen geen probleem om het groene aspect te combineren met een grootstedelijke uitstraling. Er werd dan voopral ingezet op een park met een megalomane landmark. Een schijnbare tegenstelling, maar juist het samengaan van deze twee aspecten werd gewaardeerd.

‘Bewoners zijn zeer tevreden, buitenstaanders missen authenticiteit’
De volgende bestemming was het gloednieuwe winkelcentrum, geopend in mei 2018. Bijzonder aan het winkelcentrum is dat het zonder inspraak van de bewoners ontworpen werd, en ik was benieuwd in hoeverre de plek voldeed aan de wensen en verwachtingen. Gewapend met enquête en pen de beoordeelden de deelnemers de winkels rondom het plein. De enquêtes werden vervolgens in het midden van het plein meteen geëvalueerd en op een groot bord op de duwkar in statistieken omgezet.

In het samen opgestelde juryrapoort kwamen we tot een gemiddeld cijfer voor het nieuwe winkelcentrum. Dit cijfer kon vergeleken worden met het cijfer van de vorige groep. Ook werd een totaal gemiddeld cijfer van alle groepen bij elkaar calculeert. Het totale cijfer (van alle groepen) was een 6,8.

Wat bij deze opdracht opviel was dat er een opvallend verschil was tussen het cijfer dat door bewoners werd gegeven en het cijfer dat door buitenstaanders werd gegeven. Buitenstaanders waren over het algemeen minder positief dan de bewoners. Bewoners gaven gemiddeld een 7,5; terwijl buitenstaanders niet verder dan een 5,6 kwamen. Ondanks het verschil in cijfers waren de redenen die genoemd werden niet heel anders. Een belangrijk aspect dat mensen misten was ‘authenticiteit’: ‘Er is geen buurtkroeg, geen boekenhandel, geen slager, bakker, toko of groenteboer’.

In het winkelcentrum zijn vooral ketens te vinden. Zo’n 25%-30% van de winkels/eetgelegenheden die er nu zijn werden door de deelnemers als overbodig ervaren. Wel is er in het midden van het plein een fontein te vinden, die door de deelnemers (zeer) positief beoordeeld word. Ook blij was men met de Jumbo Foodmarket, de HEMA en de architectuur van de panden.

‘Het is belangrijk om open te staan voor je buren, maar ik heb wel mijn eigen ruimte nodig.’
Bij de volgende stop, in de Kersenboomgaard (een oude kersenboomgaard met 30 atelierwoningen) was er ruimte voor eigen ervaringen en het delen ervan. Iris, een lokale kunstenares die woont en werkt in de Kersenboomgaard, deelde hier een ervaring die zij heeft gemaakt met vreemden in haar ‘voortuin’.

De voortuin van Iris is bijzonder, want het is openbare ruimte en privé tegelijkertijd. Iris atelier en woonruimte worden omgeven door een oude kersenboomgaard die tijdens de kersenoogst openbaar, en dus voor iedereen toegankelijk is: iedereen mag kersen komen plukken. Iris beschrijft dit als mooi en moeilijk tegelijkertijd. Het idee dat het van iedereen is, vindt zij belangrijk. Dat je op ieder moment van de dag vreemden voor je huis, soms op je tuinmeubilair tegenkomt is daarentegen soms lastig. Op een dag, net na de kersentijd, doet zich dit verhaal voor: Iris komt in de tuin twee in onbekende taal pratende vrouwen tegen die met hun kleine kinderen de bomen afzoeken op overgebleven kersen. Iris maakt ze er attent op dat de meeste kersen al lang zijn geplukt. Vlakbij staat Iris’ tuintafel waarop prominent twee grote glanzende keramieken kersensculpturen staan, allebei ongeveer zo groot als een meloen. Een van de vrouwen loopt naar de kersen toe: “Maar deze twee zijn er nog wel.” Iris schrikt en weet in eerste instantie niet hoe ze moet reageren. “Het is een kunstwerk dat mijn moeder heeft gemaakt.” De vrouw kijkt haar aan en legt met een zacht gebaar haar handen op de kersen. ‘Wat mooi.’ Het is even stil. Haar handen blijven nog even rusten op de kersen, tot ze ze met een strelend gebaar verwijdert. De twee vrouwen kijken elkaar aan.

Iris vertelt dat zij zich zo onverwacht verbonden en geraakt voelde door hoe de vrouw reageerde, dat zij het moment nooit zal vergeten. Hoe je door jezelf te laten zien contact kan leggen met de ander, en de eerdere irritatie dan direct verdwijnt. Daarom –ook al zorgt het toch ook soms voor minder mooie situaties- zou zij nooit ervoor kiezen om mensen echt uit haar leefruimte te willen houden. Wel zitten hier grenzen aan. In het gesprek met de groep na het verhaal wordt duidelijk: je hebt ook een privésfeer nodig. Hierin stemmen deelnemers uit alle groepen mee in.

De activiteit die verbonden is aan deze stop is het individueel invullen of aanvullen van een sticker die je op je voordeur zou kunnen plakken: Buren mogen langskomen om 1) te kletsen 2) te eten 3) te slapen. In alle groepen waren de buren welkom om langs te komen, maar vooral om te kletsen. Sommige deelnemers waren bereid om samen te koken en in een enkel geval was er ook de mogelijkheid om te blijven slapen.

‘Wij willen vogeltjes horen!’
De volgende stop draaide om geluid: wat is het geluid dat mensen zouden willen horen in Leidsche Rijn? Weer kwam bij sommige groepen de wens naar natuur duidelijk naar boven, door de wens om ruisend bomen, vogeltjes of bosgeluiden te horen. Het viel men ook op dat deze geluiden er eigenlijk niet aanwezig zijn in de wijk.

Bij andere groepen was het juist belangrijk dat het grootstedelijke aspect zich ook in het geluid uit: trams, metro, autos, kinderen die spelen en mensen die met elkaar praten.

Door te luisteren naar de wensen van de groep en koos ik een van de verschillende geluidsmixen die erbij pasten. Via de speakers in de kar bleef het geluid aanstaan voor de rest van de wandeling. Tijdens de wandeling kon de groep het geluid nog bijstellen. Opvallend was dat het natuurlijke geluid echt als prettig ervaren werd, en ook helemaal als vanzelfsprekend bij de omgeving ging horen. Het stedelijke geluid (vooral de vliegtuigen) ging na een tijd juist irriteren.

‘We zijn een autochtone groep die houdt van kunst.’
Bij de Datacheck staat de vraag centraal of de groep een afspiegeling is van de inwoners van Leidsche Rijn.

Bij deze laatste stop was er tijd voor reflectie. Van de website Buurtmonitor Utrecht had ik een set aan data geanalyseerd en gevisualiseerd. Aan de hand van deze data keken we of de specifieke groep wel of niet verschilde van de gemiddelde bewoner in Leidsche Rijn. De verschillende kenmerken die wel of niet in de groep vertegenwoordigd waren had ik op bordjes gezet, die bovenop de kar vast gemaakt konden worden.

Binnen de groep werd zo geëvalueerd in hoeverre er sprake was van representatie van de wijk. Over de verschillende groepen verdeelt kan geconcludeerd worden dat er zeer weinig allochtonen waren en weinig deelnemers gediscrimeerd werden. De deelnemers gingen relatief vaak naar musea en toonden een grotere affiniteit met kunst. Ook werd er over het algemeen niet veel vlees gegeten. Daarnaast voelden de deelnemers zich veiliger in hun buurt, maar zijn ze wel minder betrokken als vrijwilliger in de buurt.

Naast de wandelingen was ik ook aanwezig met de duwkar bij de opening het buurtcentrum Bij de Buren. Opvallend was dat hier een afspiegeling van de bewoners van Leidsche Rijn veel sterker vertegenwoordigd was. Dit maakte het contact met het burencentrum ook heel waardevol, omdat een andere doelgroep bereikt werd met meer diversiteit in leeftijd, achtergrond en interesse. Uit gesprekken met mensen bleek dat zij meestal RAUM wel kenden, maar zich niet echt uitgenodigd voelden om deel te nemen aan hun activiteiten vanuit het idee: ‘Prikkelend, maar niet voor mij bedoeld’.


De conclusies van de Burenparade doorgetrokken naar RAUM
Van stadslab tot groenstadslab

RAUM onderzoekt wat een culturele instelling in Leidsche Rijn zou kunnen zijn. RAUM ziet zichzelf als publiek stadsplein en blijft zichzelf ontwikkelen in gesprek met haar omgeving. Specifiek is aan mij gevraagd om na te denken wat de uitslagen van de gesprekken met de deelnemers kunnen betekenen voor RAUM zelf. Omdat de bewoners best een uitgesproken richting insloegen, wil ik een utopisch beeld schetsen van wat RAUM voor hen zou kunnen worden. Een toekomstvisie die direct volgt uit hun ideeën, wensen en dromen. Hierbij heb ik niet stilgestaan bij haalbaarheid of wenselijkheid, maar de conclusies van de Burenparade 1 op 1 doorgetrokken naar een toekomstige culturele instelling. Wat zou dat dan voor een plek zijn? In die zin is deze tekst niet zozeer een advies, maar meer een gedachte-experiment; een schets van wat RAUM kan worden.

Uitkomsten De Burenparade
De meest opvallende uitkomst van de Burenparade is de behoefte aan het behouden en/of vergroten van natuur in de wijk. Hierbij gaat het niet enkel om het groen zelf, maar ook om de relatie tussen groen en het gevoel van gemeenschap en persoonlijke ontspanning. Ruimte om te ademen, sporten, genieten, spelen, dieren te zien en te horen, de verandering van de jaargetijden te ervaren. Het samengaan van een grootstedelijke sfeer en veel groen werd door de deelnemers als een aantrekkelijk toekomstbeeld van Leidsche Rijn gezien.

Wat opvalt is dat de wens om het behouden van- en de wens voor meer natuur, groen en ruimte voor buitenleven gedeeld wordt door zowel bewoners als de bezoekers van buitenaf. Deelnemers van buiten Leidsche Rijn vinden de mogelijkheidtot innovatie wel een belangrijkere doelstelling voor Leidsche Rijn dan bewoners zelf. Echter houden de bewoners wel van de grootstedelijke sfeer en houden daar bijvoorbeeld rekening mee in hun visie op een groene oase.

Een andere uitkomst uit het project was dat de bewoners nog weinig verbintenis voelen met RAUM als cultureel stadslab. Het idee dat RAUM ook door hen gebruikt zou kunnen worden, of sterker nog: waar een samenwerking plaats zou kunnen vinden, is nog niet geland. Bewoners ervaren RAUM (nog) niet als plek waar hun openbare leven zich afspeelt of waar zij zelf met ideeën aan de slag kunnen gaan. Zelfs bij de deelnemende groepen, die over het algemeen relatief veel affiniteit met kunst hebben, bleek dit zo te zijn.

De uitkomsten van de buurtwandelingen schetsen een mogelijk toekomstbeeld van hoe RAUM als stadslab in Leidsche Rijn zich verder zou kunnen ontwikkelen. Het uitgangspunt van deze ‘toekomstdroom’ is natuurbeleving. Natuur is een taal die iedereen spreekt en juist in de natuur zou de verbinding en samenwerking laagdrempelig plaats kunnen vinden. De ambitie van RAUM om mee te helpen aan het ontstaan van third places, of om zelf een third place te worden (een plek waar mensen elkaar ontmoeten buiten thuis en werk om, waar normen bepaald worden en ideeën ontstaan en uitgewerkt kunnen worden) is afhankelijk van het vinden van een gemeenschappelijke basis. Deze zou mogelijkheden moeten bieden voor buurtbewoners, maar ook binnen de visie en het concept van RAUM als stadslab moeten passen. Door dit te bereiken kan het een plek worden die een voorbeeldfunctie heeft voor andere stadsprojecten op (inter)nationaal niveau.

RAUM als ‘green cube’
Door van RAUM een groene plek te maken vervult het automatisch een basisbehoefte van bewoners. RAUM heeft als locatie relatief veel ruimte. In plaats van dat RAUM naar een groot cultureel gebouw (met een fysieke drempel, openingstijden, balie enz) transformeert, zou het ook een ruim opgezette groene omgeving kunnen worden. Geen ‘white cube’, maar een groene. In de getekende visies vanaf het dak van het Pathé werden de gebouwtjes van RAUM door deelnemers zelf vaak al genegeerd en plant men op deze plekken bomen, openbare zwembaden, rivieren, moestuinen en sportvelden. Ook in het document ‘Recept voor de Toekomst’, komt dit idee al naar voren: RAUM als (moes)tuin of wandelpad. Kan een (klim)bos ook fungeren als cultureel stadslab? Is er überhaupt een gebouw nodig?

RAUM zou de mogelijkheden kunnen onderzoeken hoe natuurbeleving de basis voor hun bestaan kan vormen, bijvoorbeeld als een cultuur- en kunstcentrum in de natuur. Interactie zou kunnen ontstaan door kunstprojecten in de natuur te initiëren. Denk aan moestuinen, speelgelegenheden, zonnen, luieren, BBQ-en, samen eten verbouwen, koken en opeten, viezehanden krijgen in de modder, jam maken, hout bewerken, op een bankje zitten en kletsen en gaandeweg elkaar ontmoeten en leren kennen. Op deze manier kunnen kleine en grote thema’s die belangrijk zijn in de samenleving op een actieve manier behandeld of aan de kaak gesteld worden. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om vragen rondom duurzaamheid, recycling, maar ook om vraagstukken rondom sociale isolatie, vluchtelingenproblematiek, vergrijzing, digital vs. analoog, etc.

Om het idee verder te laten gaan dan een sociale ontmoetingsplek en zo ook de capaciteiten van RAUM als innovatief makende, onderzoekende en verbeeldende instantie te benutten, moet gezocht worden naar een vorm die hetgeen wat RAUM nu is verbindt met wat RAUM binnen een natuurcontext zou kunnen zijn. Daarbij zouden hedendaagse kunstenaars uitgenodigd kunnen worden om projecten te initiëren binnen de ‘groene oase’. Zoals in de Kersenboomgaard het plukken van kersen bewoners van alle leeftijden en achtergronden samenbrengt, kunnen kunstenaars dit samenkomen verder vormgeven, verdiepen, ritualiseren. Architecten die boomhutten ontwerpen, choreografen die waterballetten schrijven. Het NUT die het groen als decor gebruikt, of de Onkruidenier (kunstenaarsduo) kan een buurtsuper starten zoals zij in Amsterdam Noord hebben. Of denk aan hoe Marinus Boezem de natuur tot een religieuze plek maakte met zijn Groene Kathedraal, de Franse kunstenaar Abraham Poincheval die als lichaamskunstenaar zich vertraagd tot het tempo van de natuur. Of Gavin Monroe en Diana Scherer die de natuur naar hun eigen hand zetten en zo hun designs maken.

Via kunst en design kan een instelling met veel nuances ontstaan, waarin relevante vraagstukken die RAUM nu al behandelt verder worden doorontwikkeld. De interdisciplinaire samenwerking tussen wetenschap, bedrijven en bewoners zou zich in de natuur kunnen afspelen vanuit een ‘global is local-perspectief’. Alleen al door de verschillende partijen elkaar binnen een natuursetting te laten ontmoeten kunnen nieuwe richtingen verkend worden.

Afsluitend is het interessant om in de geschetste ‘groene oase’ ook de grootstedelijke kant te benadrukken. Dit kan door unieke, monumentale, landschappelijke of architectonische uitspraken te doen die het gebied een eigen karakter en identiteit geven. Afgaande op de creatieve input van de bewoners van Leidsche Rijn kan die niet uitgesproken genoeg zijn.

Pavèl van Houten, 2019

facebook insta twitter youtube itunes spotify zaag oog search